‘Made in Myanmar’: vloek of zegen?

Mensenrechten, Ontwikkelingen

De kledingindustrie in Myanmar groeit in rap tempo, maar de risico’s in deze fragiele democratie zijn groot. Dreigt Myanmar het nieuwe Bangladesh te worden?

Nadat een militaire junta Myanmar vijftig jaar lang onderdrukte, komt het land langzaam uit haar isolement. Nu de economische sancties zijn opgeheven, zien kledingbedrijven hun kans; als vliegen op de stront komen ze af op de lage lonen en voordelige handelsvoorwaarden. Is de industrie een vloek of zegen voor het Aziatische land? Daarover zijn de meningen verdeeld.

‘Finaal mislukken’

Na een lange periode van Brits koloniaal bestuur werd in 1948 de onafhankelijkheid van Myanmar uitgeroepen. Door binnenlandse conflicten rond etnische minderheden, economische belangen en politieke stromingen lukte het niet om stabiliteit in het land te creëren. Na een militaire coup in 1962 veranderde het land in een dictatuur. De junta hief alle democratische bestuursorganen op. Zelfs de grondwet werd van tafel geveegd. Vakbonden, demonstraties en elke vorm van vrije meningsuiting waren tientallen jaren verboden.

Op 31 januari 2011 maakte een nieuwe grondwet formeel een einde aan het militaire bestuur. Sindsdien hebben arbeidersvakbonden meer ruimte om te opereren, althans: op papier. Want van een goed functionerende rechtstaat is nog geen sprake, zegt Pauline Overeem, die voor SOMO onderzoek doet naar de kledingindustrie in Myanmar. “Het land is in transitie, het gaat na een halve eeuw militaire junta langzaam naar een parlementaire democratie. Dat kan nog finaal mislukken.”

Die onzekerheid weerhoudt kledingbedrijven er niet van hun spullen in Myanmar te laten produceren. Textielfabrieken schieten als paddenstoelen uit de grond: lag hun aantal ten tijde van de economische sancties nog op 130, inmiddels zijn het er 400. De Europese Unie is de snelst groeiende exportmarkt. In 2015 importeerde de EU kleding ter waarde van € 423 miljoen, 80 procent meer dan in het jaar daarvoor.

Momenteel werken er 350.000 werknemers in de kledingindustrie (90 procent daarvan is vrouw). Naar schatting zijn dat er in 2024 maar liefst 1,5 miljoen.

Honderden problemen

Myanmar is een van de armste landen ter wereld: een kwart van de inwoners leeft onder de armoedegrens. Het is alleen de vraag of deze nieuwe werkgelegenheid uitkomst biedt. Er doen zich nu al veel misstanden in de Birmese kledingindustrie voor. “400 kledingfabrieken, 4000 problemen”, zegt Thurein Aung (42), directeur van de Burmese onafhankelijke arbeidsrechten organisatie Action Labour Rights (ALR).

Aung zet zich al jarenlang in voor mensenrechten en democratie in Myanmar. In 2007 werd hij gevangengezet na het organiseren van een protest. Vijf jaar later werd hij vrijgelaten; sindsdien wil hij met zijn ngo vakbondsvrijheid bevroderen, gedwongen arbeid tegengaan en kinderarbeid uitbannen. Zijn speerpunt: de kledingindustrie.

Lage lonen, lange werkdagen en weinig geld

Onlangs was hij in Nederland om met kledingbedrijven en de overheid te praten over de mogelijkheden om fatsoenlijke banen te creëren in de groeiende export-gerichte kledingindustrie.

Een van de problemen is de slechte beloning: het minimumloon is 3600 kyat, omgerekend zo’n 2,50 per dag. Dat is te weinig om fatsoenlijk van te kunnen leven, zegt Aung. Die lage lonen zorgen ervoor dat werknemers veel overuren draaien, om alsnog in hun levensbehoeften te kunnen voorzien. Uit het rapport van SOMO ‘Het Myanmar Dilemma’ blijkt dat werkweken van meer dan 60 uur geen uitzondering zijn.

“In alle fabrieken die we hebben onderzocht, troffen we werknemers aan die tussen hun 15de en 18de waren begonnen met werken” – Pauline Overeem

Ook kinderarbeid komt op grote schaal voor, zo stelt SOMO in hetzelfde rapport. Overeem: “In alle twaalf fabrieken die we hebben onderzocht, troffen we werknemers aan die tussen de 15 tot 18 jaar oud waren toen ze begonnen met werken, en soms zelfs jonger.” Ook in het boek Modeslavor staat beschreven dat jonge meiden van 14 jaar dagen van 12 uur maakten, in fabrieken waar onder meer kleding voor H&M werd gemaakt.

Hoewel kinderarbeid in strijd is met zowel de wetgeving in Myanmar als de internationale arbeidsnormen, ziet Aung het niet per se als een probleem. “Het Westen kijkt daar anders tegen aan dan wij in Myanmar. De kinderen willen juist graag werken; hoe komt de familie anders aan voldoende inkomen voor hun levensonderhoud?”

Verhoging lonen stuit op weerstand

Door kinderen te ontslaan of te weren uit de fabrieken, los je het probleem niet op, zegt Aung.

Overeem ziet dat anders. “Kinderen hebben recht op onderwijs. Daar moet de Myanmarese overheid in investeren. Door buitenlandse investeerders belastingvoordelen aan te bieden schiet de regering zich in de voet. Het is niet goed om jongeren de plaats van volwassenen te laten in nemen op de arbeidsmarkt. Hogere lonen voor volwassen werknemers is de oplossing om kinderen uit de fabriek naar school te krijgen.”

Een verhoging van het minimumloon zou dus uitkomst kunnen bieden. Maar wil de overheid de lonen wel verhogen? Of is zij bang dan haar concurrentiepositie te verliezen?

Aung: “De regering is bezig met het verbeteren van de arbeidswetten en het verhogen van het minimumloon. Van 3600 moet het naar 4800 kyat.” De verhoging gaat echter moeizaam. “Werkgevers beweren dat zij de hogere lonen niet kunnen betalen. En aangezien zij een enorme machtspositie hebben, is het maar de vraag of de lonen zullen stijgen.” Volgens Aung ligt de bal daarom nu bij de modebedrijven. “De fabrieken hebben niet zoveel geld; als merken bereid zijn meer te betalen voor hun kleding, kunnen ze meer arbeidskosten maken.”

De mensenrechtenactivist komt met nog een verontrustend feit: het gebrek aan veiligheid. “Ongeveer anderhalve maand geleden brak er brand uit in een fabriek waar kleding voor een groot internationaal merk wordt gemaakt. De arbeiders hadden geen idee waar ze heen moesten en wat ze moesten doen”, zegt Aung. Gelukkig vielen er geen doden, wel raakten een aantal mensen gewond.

Weer dezelfde riedel?

De problematiek rondom kinderarbeid, lage lonen en onveilige fabrieken klinkt bekend. Precies deze misstanden spelen al jaren in kledingproducerende landen als Bangladesh, India en Pakistan. Het roept de vraag op of bedrijven dan niets hebben geleerd.

“Ja en nee”, reageert Overeem. “Het overgrote deel van de kledingindustrie redeneert nog steeds enkel en alleen binnen commerciële kaders.” De bedrijven (kledingfabrikanten, merken en retailers) zien Myanmar volgens haar als een kans, mede vanwege de lage lonen. “Het net onderhandelde hogere minimumloon wordt door die corporate partijen gezien als een obstakel en een risico voor investeerders, terwijl dat minimumloon objectief bekeken nog steeds stuitend laag is, en het met de gestegen kosten voor levensonderhoud en de inflatie nauwelijks een echte loonsverhoging zal betekenen.”

Aung beschrijft bovendien hoe de invoering van het huidig minimumloon, in 2015, destijds prompt tot lagere bonussen en hogere productiedoelen leidde, en voor werknemers dus een verzwaring betekende.

Anderzijds ziet Overeem wel dat het bedrijfsleven beetje bij beetje meer interesse krijgt in internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen en ‘human rights due dilligence’, ofwel het opsporen van arbeidsrisico’s in de keten. “Maar positieve impact op de werkvloer is daarmee natuurlijk nog niet bereikt….”

Corruptie, onrust en de macht van het leger

Behalve de bovengenoemde misstanden baren ook de ‘onstabiele situatie’ en de grootschalige corruptie in het land Overeem zorgen. “Overheidsinstituties zijn nog niet met de democratie meegegroeid. De NLD (De Nationale Liga voor Democratie)  heeft een groot aantal nieuwe ministers geleverd, maar de ambtenarij is nog niet ververst.”

Corruptie is zodoende nog lang niet verdwenen, en ook dat heeft invloed op de kledingindustrie. “Er wordt smeergeld gevraagd en betaald, bijvoorbeeld door fabriekseigenaren, om arbeidsconflicten af te kopen.” De overheid kan de corruptie moeilijk beteugelen, stelt Aung. “Er is weliswaar een nieuwe regering; maar de macht is nog in handen van corrupte mensen.”

Bovendien zijn veel fabrieken in Myanmar in handen van investeerders uit Zuid-Korea, China en Japan. En aangezien de kledingexport een belangrijke inkomstenbron voor de overheid is, probeert zij hen zo min mogelijk in de weg te staan. “Kledingbedrijven hoeven zich vaak niet strikt aan lokale wetten en regels te houden”, zegt Aung.

“Er wordt smeergeld gevraagd en betaald, bijvoorbeeld door fabriekseigenaren, om arbeidsconflicten af te kopen” – Pauline Overeem

In verschillende delen van het land vinden voorts heftige botsingen plaats tussen het leger en gewapende etnische groepen. “Er wordt veel onrust veroorzaakt in het land door boeddhistische extremisten, die financieel worden gesteund door het regime”, zegt Aung. Volgens Overeem is het vredesproces niet succesvol. “De situatie in Rahkine komt daar nog eens bovenop.”

De mensenrechtenactivist wijst erop dat een aantal fabrieksgebouwen in handen is van (ex-)militairen en gebouwd is op grond die tijdens de militaire dictatuur van boeren is afgenomen. “Als een kledingmerk laat produceren in een fabriek die banden heeft met het leger, komt er geld in verkeerde handen.” Er zijn twee bekende conglomeraten in militaire handen. Maar veel van de economische macht van het leger is minder zichtbaar. Kledingmerken werken op deze manier indirect mee aan de spanningen in het land. “Watchdog-organisaties in Myanmar kunnen bedrijven helpen zich goed te informeren om zo ‘schone’ toeleveranciers te vinden.”

Hoopvol

Toch ziet Aung de nieuwe industrie vooral als een kans. “Ik ben hoopvol. De kledingindustrie creëert banen en de regering krijgt inkomsten uit de belasting die de bedrijven betalen.” Volgens hem is er meer aandacht voor de situatie in de kledingindustrie en wordt er vaker samengewerkt tussen de overheid, ngo’s en vakbonden. “We kunnen daarnaast leren van onze buurlanden.”

Overeem is minder optimistisch. “Sinds de publicatie van ons rapport; waarin we waarschuwen voor de risico’s in het land, komt er alleen maar meer informatie naar buiten over dezelfde, voortdurende wanpraktijken.”

Werkgelegenheid is volgens haar belangrijk, mits het fatsoenlijk werk is. “De kledingindustrie is geen duurzame sector, met onderbetaalde banen en werk voor vooral jonge vrouwen. Boven de 35 of 40 jaar vinden mensen in deze industrie geen werk meer. Opleidings- en promotiemogelijkheden zijn erg beperkt. Als werknemers afgedankt worden hebben ze niets kunnen opbouwen”

Maar Myanmar hoeft niet Cambodja of Bangladesh achterna te gaan. “De kledingindustrie is er nog zeer bescheiden vergeleken met die in Bangladesh. De groei kan stokken als de politieke, militaire, of mensenrechtensituatie in het land verergert, er sancties worden opgelegd en investeerders en producerende bedrijven koudwatervrees krijgen. Dat zou ertoe kunnen leiden dat bedrijven anders en beter gaan nadenken over de mensenrechtenrisico’s. Maar als die extreme situatie zich niet voordoet, denk ik niet dat de industrie de kans aangrijpt om het in Myanmar nu eens echt anders te gaan doen.”


Dit artikel is geschreven met Jacolijn Groesbeek en verscheen eerder op OneWorld.nl 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s